Deze website maakt gebruik van cookies. We gebruiken cookies om instellingen te onthouden en je bezoek soepeler te laten verlopen. Daarnaast gebruiken we ook cookies voor de verbetering van de website en het verzamelen en analyseren van statistieken. Lees meer over cookies

Het verhaal van de 'Ziekenhuisfamilie'

Youp was net twee weken oud toen er bij hem een neuroblastoom werd ontdekt. Diezelfde avond treft moeder Dagmar twee andere gezinnen in de centrale hal van het Prinses Máxima Centrum. Later komen daar nog twee gezinnen bij. Het is het begin van een vriendschap. De vriendschap van, zoals zij dit zelf noemen, de ‘Ziekenhuisfamilie.’ 
Dagmar vertelt; 
 
‘Youp was met zijn twee weken één van de jongste patiënten in het Máxima. Ik dacht continu: wat gebeurt me nu?! Je voelt een verlammende angst. Een angst die je in de eerste fase echt in z’n greep houdt. Twee gezinnen die ik ontmoette op de avond van de diagnose herkenden dat maar al te goed. Dit waren Gerda en Keesjan, met zoontje Bjorn, en Agnes en Geert, met zoontje Jelle. Gerda en Keesjan waren al een paar weken verder in het traject, terwijl Agnes en Geert ook nét middenin de rollercoaster zaten. Later ontmoetten we ook Petra en John, de ouders van Duncan, en Jacob en Frida, ouders van Sander.  
 
Doordat onze kinderen in dezelfde tijd chemokuren kregen, kwamen we elkaar steeds vaker tegen. Na een tijdje wisselden we nummers uit. Zo ontdekten we dat de andere ouders elkaar ook al kenden. Vanaf dat moment vierden we ieder stapje vooruit, en huilden we bij tegenslagen. Had iemand een belangrijk onderzoek, dan wisten we dat. Je leeft intens met elkaar mee. Ik herinner mij alle bingo’s in het ziekenhuis en momenten waarop we samen kralen kregen. Of momenten waarop we elkaar even opzochten aan het eind van een moeilijke dag. Dan konden we die gevoelens samen een plekje geven. En Lenie, die tijdens haar diensten áltijd een lach op het gezicht van de jongens wist te toveren. 
 
Duncan, Jelle en Sander, drie van de vijf prachtige jongens, zijn overleden. Alleen Youp en Bjorn hebben het overleefd. Het was op de begrafenis van Jelle dat zijn vader, Geert, in een speech zijn dank uitsprak aan ‘de Ziekenhuisfamilie’. Dat omschreef voor mij zo mooi wat het is. Ouders, familie, vrienden: je kunt hen niet uitleggen wat het met je doet, maar onze Ziekenhuisfamilie begrijpt het.
 
We hebben vreselijk gelachen met elkaar, maar er hangt ook altijd een intens gemis. Als moeder van een survivor, heb ik de andere jongens altijd in gedachten. En andersom. Want krijgt Youp of Bjorn een uitslag, dan zijn de andere ouders oprecht betrokken. Heel krachtig en bijzonder. Al onze stapjes, daar lopen zij naast. Hun namen - en die van vele anderen - blijven we altijd noemen. Ook nu we vijf jaar verder zijn. We missen ze enorm. 
 
Nu komen we nog steeds één of twee keer per jaar bij elkaar en gaan we iets leuks doen. Komend voorjaar gaan we een weekend weg met z’n allen. Het is een hele bijzondere vriendschap. We zijn allemaal zo anders, maar hebben zo’n warme band. Allemaal weten we hoe het is om een ziek kind te hebben. En ook dat het erna niet klaar is. Dat geldt voor ouders van een overleden kind én survivors. Je moet het een plek geven, het leven gaat door, maar er is altijd een deel stuk in je.’